Wanneer grote hoeveelheden gevaarlijke en schadelijke stoffen per zee getransporteerd worden en er vindt een ongeluk plaats, dan brengt dit naast gevolgen voor het milieu ook aanzienlijke kosten met zich mee. Om duidelijkheid te hebben over wie voor deze kosten opdraait is er het internationale HNS-verdrag (‘Hazardous and Noxious Substances Convention’) voor de vergoeding van schade na een ramp met gevaarlijke, schadelijke stoffen op zee. België en Nederland hebben nu samen met Duitsland, Zweden, Frankrijk, Denemarken en Noorwegen dit verdrag geratificeerd. Dit betekent dat het verdrag over 18 maanden in werking kan treden.
Het verdrag is van toepassing op eigenaren van schepen die na het veroorzaken van een ongeluk met gevaarlijke stoffen in territoriale wateren niet zelf de volledige schadevergoeding kunnen bekostigen. De nog verschuldigde vergoeding wordt dan uit het schadefonds betaald. Bedrijven die veel schadelijke stoffen over zee transporteren moeten een bijdrage betalen aan dit fonds. De maximale vergoeding voor schade vanuit het fonds is € 310 miljoen. Het betreft de vergoeding voor personenschade (letsel of overlijden door schadelijke stoffen), saneringskosten en economische schade.
Soorten gevaarlijke stoffen
Welke bedrijven een bijdrage moeten leveren aan het fonds is afhankelijk van hoeveel schadelijke stoffen zij jaarlijks per zee ontvangen. Zij moeten deze transporten melden bij de overheid. De overheid heeft een lijst van meldingsplichtige bedrijven opgesteld en bij deze bedrijven opgevraagd welke stoffen zij in welke hoeveelheden ontvangen.
Het verdrag is van toepassing op de volgende categorieën schadelijke stoffen:
– Algemene schadelijke stoffen (vaste bulkstoffen en overige HNS-stoffen, minimaal 15.000 ton)
– Olie (zowel persistent, minimaal 150.000 ton, als niet-persistent, minimaal 15.000 ton)
– LPG (minimaal 15.000 ton)
– LNG
Lees verder op mobilit.belgium.be

